Programma 15 september

15 september 2018, 16.00 uur
Citykerk Het Steiger Sint Dominicus
Orgelconcert

Programma: ‘Symfonie!’

  • Johann Sebastian Bach (1685-1750)
    Arr. voor orgel: Alexandre Guilmant (1837-1911)
    Sinfonia uit cantata BWV 29
  • Charles-Marie Widor (1844-1937)
    Uit symfonie no. 5 voor orgel:
    ii. Allegro cantabile
    iii. Andantino Quasi Allegretto
  • Leoš Janácek (1854-1928)
    Arr. voor orgel: Bert van Stam
    Sinfonietta
    i. Allegretto — Allegro maestoso (Fanfare)
    ii. Andante — Allegretto (The Castle, Brno)
    iii. Moderato (The Queen’s Monastery, Brno)
    iv. Allegretto (The Street Leading to the Castle)
    v. Andante con moto (The Town Hall, Brno)

Toelichting

We zien het vaak genoeg op concertprogramma’s staan: het woord ‘symfonie’. Of een variant ervan: ‘sinfonia’, ‘symfonisch gedicht’, ‘sinfonietta’, enzovoorts. Maar wat is het eigenlijk, een symfonie?

Het woord ‘symfonie’ komt uit het Grieks en betekent letterlijk ‘samen-klank’. En al sinds de Middeleeuwen wordt dit woord gebruikt voor het ‘samenklinken’ van verschillende instrumenten. Eigenlijk kun je dus geen symfonie spelen met alleen een orgel. Toch staat dit programma vol met symfonie-muziek voor orgel…

In de tijd van Bach werd het woord ‘sinfonia’, als Italiaanse variant van het woord ‘symfonie’, gebruikt voor instrumentale delen in opera’s of cantates. Vaak begon Bach een cantate met een sinfonia als inleiding. In 1731 schreef hij cantate BWV 29, ‘Wir danken dir, Gott, wir danken dir’ ter gelegenheid van de inzegening van het stadsbestuur. Voor deze cantate gebruikte Bach de feestelijke sinfonia die hij eerder voor een bruiloftscantate schreef. De originele sinfonia die Bach schreef, bestaat uit een virtuoze waterval van noten voor de organist, begeleid door het orkest. In deze bewerking van Guilmant wordt de begeleiding ook op het orgel gespeeld, zodat alles door één persoon op het orgel uitgevoerd kan worden.

Charles-Marie Widor wordt gezien als de bedenker van het concept ‘orgelsymfonie’. Met dit woord wilde Widor aangeven dat het orgel zo veelzijdig is, dat het niet als één instrument geldt, maar dat het een heel orkest kan imiteren. Dit is ook te danken aan de orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll, die zich tot doel stelde zijn orgels zo orkestraal mogelijk te laten klinken. Widor schreef 10 orgelsymfonieën. De vijfde is daarvan veruit de bekendste, vooral vanwege de beroemde Toccata. Van het tweede deel, het Allegro cantabile, hoort u de oorspronkelijke, lange versie. ‘Allegro cantabile’ betekent ‘opgewekt, zangerig’ en het stuk opent dan ook met een prettige melodie die in het orkest door de hobo gespeeld zou worden, op een speelse manier begeleid. Af en toe gaat de aandacht naar de fluit, of vormt deze een duet. In het middendeel zijn het de strijkers die een rustig koraal spelen, waar de fluit een solo boven speelt. Na een korte spanningsopbouw keert de prettige beginmelodie weer terug. Het derde deel, Andantino Quasi Allegretto, zou zo weggelopen kunnen zijn uit een Beethoven-symfonie. Een kort ritmisch motief in het pedaal (in het orkest door de celli en contrabassen gespeeld?) vormt de inleiding. Telkens krijgt een ander deel van het orkest de aandacht, terwijl de verschillende korte thema’s uitgewerkt en afgewisseld worden.

Na de eerste wereldoorlog was Tsjecho-Slowakije in 1918 bevrijd van de Oostenrijks-Hongaarse overheersing. Zes jaar later, in 1926, schreef Janácek zijn ‘Sinfonietta’. Die titel is een verkleinwoord van ‘Sinfonia’, maar dat slaat alleen op de lengte van het werk. In de tijd van Janácek was de gemiddelde orkestsymfonie al zover uitgedijd dat dit werk van 25 minuten vergeleken daarmee erg kort is. Het verkleinwoord slaat niet op de omvang van het orkest dat nodig is om deze uit te voeren. De componist had grootse ambities met dit werk en droeg het op aan de Tsjecho-Slowaakse strijdkrachten. Zelf zei Janacek over de muziek dat het een uitdrukking is van ‘de hedendaagse vrije man, zijn spirituele schoonheid en vreugde, zijn kracht, moed en vastberadenheid te vechten voor de overwinning’. De Sinfonietta begint en eindigt met een fanfare die Janácek oorspronkelijk had geschreven voor het festival van een nationalistische sportvereniging. Alle delen zijn gesitueerd rond de stad Brno, waar de componist zijn orgelschool had. De unieke klankkleuren, de aanstekelijke ritmes en het herkenbare gebruik van volksmuziek maken deze muziek tot één van Janácek’s meest gespeelde werken. De blokmatige opzet van de muziek maken het werk geschikt om te bewerken voor orgel. Hierbij wordt er door het hele werk heen veel gebruik gemaakt van registratiewisselingen om zo de verschillende instrumenten in het orkest te imiteren.