Visiedocument voor Sweelinckprijs

Vier richtlijnen om de verbinding met het publiek te leggen

Als u mij een beetje volgt, bent u het vast al via andere kanalen te weten gekomen: afgelopen zaterdag heb ik de tweede prijs gewonnen voor de Sweelinck-Mullerprijs! Ik vind het erg belangrijk en mooi dat deze prijs bestaat. Geweldig om op deze manier gestimuleerd te worden om je eens goed te bezinnen op het fenomeen ‘orgelconcert’! Graag wil ik ook mijn gedachten hierover delen, en mijn collega-musici stimuleren hier ook over na te denken. Hieronder (licht gewijzigd) de tekst van de onderbouwing bij mijn inzending.

Mijn uitgangspunt is dit:

Een orgelconcert is altijd een kans om een publiek in verbinding te stellen met een rijke traditie, en tegelijk die lijn vanuit de traditie door te trekken richting de toekomst.

Een rijke traditie en op de toekomst gericht: dat klinkt mooi. Maar er zijn dan wel wat uitdagingen; het is goed om je daar als organist bewust van te zijn. De volgende drie uitdagingen komt de organist tegen:

Toch blijft voor mij als een paal boven water staan dat de organist altijd veel te bieden heeft: die rijke traditie! Om te zorgen dat dit effectief gebeurt, ben ik tot een viertal richtlijnen gekomen. Deze vier richtlijnen kun je in orgelconcerten toepassen. Niet als ‘garantie voor succes’, maar ik geloof dat hiermee de verbinding met het publiek verbeterd kan worden.

1. Ga uit van de kracht van de rijke traditie

De eerste richtlijn is om altijd te starten bij de rijke traditie: de kracht van de goede muziek op de juiste instrumenten. En dat omvat meer dan het ijzeren repertoire; het is juist de kracht van de orgeltraditie dat er een enorme hoeveelheid aan muziek van hoge kwaliteit is. Het is helemaal niet nodig om middelmatige muziek te spelen.

2. Overbrug de kloof met de luisteraar

De tweede richtlijn is dat er iets moet gebeuren om de hierboven genoemde kloof met de luisteraar te overbruggen. De muziek sluit immers vaak niet aan bij de leefwereld van vandaag. Er moet daarom altijd allereerst een reden zijn om die muziek van vroeger weer tot klinken te brengen. Dat kan van alles zijn: het kerkelijk jaar, de actualiteit, of het feit dat de muziek je grijpt en je dat wilt delen.

Daarnaast is het goed om onduidelijkheden te vermijden, en het publiek een ‘luisterwijzer’ aan te reiken. Bedenk daarvoor dat het gemiddeld publiek historisch niet zo goed onderlegd is. Dit gemiddeld publiek komt misschien ook niet zo vaak in een kerk. Ook kan (nieuw) publiek onbekend zijn met de gang van zaken bij een orgelconcert. Een orgelconcert kan namelijk snel verworden tot een vast ritueel met veel ongeschreven regels, waar een buitenstaander niet tot luisteren uitgenodigd wordt. Een hartelijk welkom en duidelijke weergave en uitleg van de gang van het programma is eigenlijk een onmisbare voorwaarde voor een organist die zijn publiek wil behouden!

3. Activeer de luisteraar

De derde richtlijn is om nog een stapje verder te gaan, als de ‘kloof’ overbrugd is: het echt activeren van de luisteraar! Er is een compensatie nodig voor het feit dat de organist vaak onzichtbaar is. En juist orgelmuziek heeft baat bij een actieve luisterhouding van geconcentreerd luisteren. Hoe kan dat? Mensen kunnen fysiek in actie gebracht worden, bijvoorbeeld door te lopen, dansen, klappen of te zingen. Mensen kunnen mentaal in actie gebracht worden, door er een ‘luisterpuzzel’ van te maken, of door van tevoren luistertips te geven. Maar het kan ook visueel. Er kan tegelijk met de muziek iets te zien zijn: dansers, videoprojecties, schilderijen. Zorg er dan wel voor dat dit samen met de muziek een integraal artistiek geheel vormt… Tegenwoordig zie je bij aankondigen voor orgelconcerten regelmatig staan dat ‘de verrichtingen van de organist via een videoscherm te zien zijn’. In de praktijk betekent dit vaak een close-up van een registrantenschouder, met af en toe een glimp van een organistenhoofd. Als je het doet, moet je het wel goed doen, is hier de les, en volstaat het neerzetten van je hobbycamera niet…

4. Ga regelmatig het experiment aan

Als vierde, ten slotte, is het goed om als uitvoerder regelmatig het experiment aan te gaan. Dat is niet alleen nodig voor een doorgaande ontwikkeling binnen de muziekwereld, maar ook om de binding met het publiek dynamisch te houden. En het is natuurlijk gewoon leuk om te doen. Het publiek wordt graag af en toe verrast, en blijft zo scherp. Dit kan door improvisatie, door nieuwe bewerkingen te maken, door compositieopdrachten of door nieuwe combinaties te leggen.

Deze vier richtlijnen probeer ik altijd toe te passen in de concertprogramma’s die ik maak: het starten bij de kracht van de orgeltraditie, het overbruggen van de kloof, het activeren van de luisteraar, en het aangaan van het experiment. En het leuke is nu dat je, als je dit opschrijft en uitvoert in een orgelconcert, goed bent voor een tweede plaats voor de Sweelinck-Mullerprijs!

14 oktober 2014


Volgende artikel: De muziek van het geluk (1)


Alle artikelen